dienaresse

vrouwelijk (de)/ˌdinaˈrɛsə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke dienaar
    Ik ben een getrouwe dienaresse van het huis van Oranje, ik heb hunne hoogheden de prins en de prinses al verscheidene diensten bewezen.
    Vlak buiten de stad, bij een prachtige, ommuurde lusthof, stuitte de pelgrim op een stoet van dienaars en dienaressen die allen manden droegen.

Etymologie

* afleiding van dienares