dienstbaarheid

vrouwelijk (de)/'dinstbarhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het dienstbaar zijn
  2. verplichting of last aan het bezit van een onroerend goed verbonden (-> erfdienstbaarheid)

Etymologie

*afgeleid van dienstbaar

Vertalingen

Spaanssujeción