diep
onzijdig (het)/dip/
Wat is de betekenis van diep?
diep betekent: (verouderd) diepte
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) diepte
- (verouderd), (figuurlijk) binnenste
- (aardrijkskunde), (verouderd), (figuurlijk) zee
- (aardrijkskunde) diep water, vooral gebruikt voor een vaargeul tussen ondiepten
- (aardrijkskunde) kanaal (vooral in Noordelijk Nederland), ook gebruikt voor gekanaliseerde riviertjes
Voorbeelden van "diep" in een zin
- ... dat, gelijk de parel uit het diep van de zee moet worden opgedoken, ...
- De Maan lachte uit het diep zich-zelve tegen
- Hoe't grondeloose diep meer zants en waters spoogh
- Het Ganzendiep is een afgedamde rivierarm van de IJssel. Het zelfbedieningspontje vaart over dit diep.
- Het voormalige rechtgetrokken diep is opnieuw aangelegd en kronkelt nu weer door het landschap.
Etymologie
#(filosofie) de basis of oorzaak van iets zijnd
Uitdrukkingen
- Als het diep verloopt, verzet men de bakens. — [4]: Als de omstandigheden veranderen, zijn andere maatregelen nodig.[http://www.dbnl.org/tekst/spre003hand01_01/spre003hand01_01_0005.php {{Aut|Sprenger van Eijk, J.P.
Vertalingen
Engelsdeep, profound
Fransprofond
Duitstief
Spaansprofundo, hondo
Poolsgłęboki
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek