diepte

vrouwelijk (de)/'diptə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets diep is
    De diepte van dat zwembad is twee meter.
    De cirkel had zijn eigen perspectief, zodat het leek alsof hij diepte had, alsof de vrouw op de bodem van een waterput lag.
  2. bijzonder laag gelegen plaats, gewoonlijk onder de waterspiegel
    De reuzenpijlinktvis is een bewoner van de diepten van de oceaan.
    Toen we boven op de berg waren zagen we het dorpje in de diepte liggen.
  3. geestelijke, emotionele diepgang
    Zo hoef je niet na te denken, laat staan af te zakken naar de diepte waar woorden niet nodig zijn.

Etymologie

*afgeleid van diep

Vertalingen

Engelsdepth
Spaanshondura, profundidad, depresión