Dijk
mannelijk (de)/dɛik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende landDe dijk langs de rivier was erg bochtig.Stil en ongenaakbaar stonden de eenzame bomen voor de hoge nieuwe dijk die de Grevelingen aan het zicht onttrok, hun kale takken scherp afgetekend tegen de grijze winterlucht.Vanaf de dijk was het onduidelijk of het Hoge Huis werd bewoond, de gordijnen voor het raam waren bijna helemaal dichtgetrokken.
- (figuurlijk) bescherming tegen onheilWe zijn niet arm, maar de suiker vormt een dijk tegen de stijgende golven.
- kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)De spoorweg was op een dijk gebouwd
zelfstandig naamwoord
- (lhbt) (informeel) mannelijk ogende lesbienne
Etymologie
*[B] vermoedelijk van Amerikaans "dyke"
Uitdrukkingen
- Aan de dijk gezet worden — Afgedankt, ontslagen worden
- Dat zet geen zoden aan de dijk — Daar schieten we niets mee op
- Wie niet dijken wil moet wijken — Men moet kiezen of delen
- Een kerel als een dijk — Een stevige kerel [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0427.phpv423 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelsdyke, dike
Fransdigue
DuitsDeich
Spaansdique
Portugeesdique
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek