Dik
onzijdig (het)/dɪk/
Wat is de betekenis van Dik?
Dik betekent: een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
- de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
- een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
- ruim.
- hecht.
bijwoord
- op dikke wijze
- overdrachtelijk in grote mate
zelfstandig naamwoord
- bezinksel in een aftreksel
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dikken
- gebiedende wijs van dikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dikken
Voorbeelden van "Dik" in een zin
- Zij had erg dikke benen.
- Het glas is dik en vervormend, maar dat haar zou ze overal herkennen.
- Dat beestje was een vinger dik.
- Die jongen is echt veel te dik.
- wat voor weddenschappen zou haar man nog meer winnen? Volgens haar is Meermans het type man dat snel dik wordt.
Etymologie
In de betekenis van ‘(op)gezet’ voor het eerst aangetroffen in 1089
Vertalingen
Duitsdick, voll, gut
Engelsthick, fat
Fransgros, large, épais, grand
Spaansancho, grueso, denso, gordo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek