dikkop

mannelijk (de)/ˈdɪkɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon of dier met een buitengewoon groot hoofd
  2. figuurlijk (figuurlijk) koppigaard, stijfkop
  3. pejoratief (pejoratief) (Belgisch-Nederlands) hoge piet, hoge ome (vaak met de bijgedachte aan hoogmoed)
  4. wielrennen (wielrennen) renner die vol groeihormonen zit
  5. dierkunde (dierkunde) larve van de kikker of salamander, in het stadium van uit het ei komen tot 6-9 weken (daarna wordt het een kikkervisje). Een dikkop bestaat uit een ovaalvormig lichaam en een lange staart en heeft alleen kieuwen. Een dikkop met inwendige kieuwen zal een kikker worden, en een dikkop met externe kieuwen een salamander.
  6. bepaalde soort vogels
  7. uilen (uilen) bosuil,
  8. roeipotigen (roeipotigen) (Surinaams-Nederlands) kwak
  9. roeipotigen (roeipotigen) (Surinaams-Nederlands) geelkruinkwak
  10. vlinders (vlinders) dikkopje (Hesperiidae)
  11. vliesvleugeligen (vliesvleugeligen) benaming voor mieren uit het geslacht in de subfamilie knoopmieren ()
  12. straalvinnigen (straalvinnigen) kopvoorn (Squalius cephalus)
  13. bepaalde soort planten:
  14. (Groningen) speerdistel (Cirsium vulgare)
  15. (Zuid-Limburg) klein kruiskruid (Senecio vulgaris)

Etymologie

**[1] in de betekenis van ‘iem. met een dik hoofd’ aangetroffen vanaf 1620