dikzak
mannelijk (de)/ˈdɪksɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) iemand die zwaarlijvig isWat een dikzak ben jij geworden!‘Halloo, what! old fellow, ouwe Hollander,’ zei de ‘captain.’ - ‘Never mind! - Jij bent bang, old Dutchman.’‘Bang?’ zei Jan, en hij keek den Engelschman vlak in zijn gezicht. ‘Bang? Net zoo min als jij, maar het is mijn plicht om je te waarschouwen.’In dat oogenblik had Jan den Engelschen dikzak graag een ‘peuter’ willen geven, want hij werd niet graag ‘geaffronteerd,’ maar als men loods is, mag men tot zulke ‘werktuigelijkheden’ natuurlijk niet overgaan
Vertalingen
Engelsfatso
Fransgros lard
DuitsFettwanst, Fettsack
Spaansgordinflón, guatón
Italiaansciccione
Deensfedtklump, fedtbjerg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek