dinsdag
mannelijk (de)/ˈdɪnzdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) dag van de week die na maandag en voor woensdag komtOp dinsdag zal er een volle maan zijn.Op de derde dinsdag van september begint het nieuwe parlementaire jaar.Er gaat een geweldig 'hoera' op en er zijn er bij die haast met hun hoofd tegen het plafond springen! Twee dagen daarna, op dinsdag 23 januari, kwam het bericht dat de verlofgangers toch nog niet weg mochten in verband met een nieuw geplande divisieoefening.
Etymologie
*van Middelnederlands "dinsendach" / "dinxdach" / "dinxendag", in de betekenis van ‘derde dag van de week’ aangetroffen vanaf 1269 (eponiem): het eerste lid is afgeleid van de naam van de Germaanse oorlogsgod Tiwaz; de naam van de dag is ontleend aan de naam in het Latijn: "dies" "de dag van Mars (de Romeinse oorlogsgod)"
Vertalingen
EngelsTuesday
Fransmardi
DuitsDienstag
Spaansmartes
Italiaansmartedì
Portugeesterça-feira
Russischвторник
Chinees星期二
Japans火曜日
Koreaans화요일
Arabischالثلاثاء
Turkssalı
Poolswtorek
Zweedstisdag
Deenstirsdag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek