dioptrie
vrouwelijk (de)/dijɔp'tri/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (optica) eenheid waarin de sterkte van lenzen en spiegels wordt uitgedrukt (het omgekeerde van de brandpuntsafstand f)
Etymologie
* In de betekenis van ‘eenheid van sterkte van lenzen’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Vertalingen
Spaansdioptría
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek