diploma

onzijdig (het)/diˈploma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) een bewijs van bevoegdheid, bewijs dat je een examen hebt gehaald
    Vijftig procent van de kinderen heeft een diploma gehaald bij de zwemclub.
  2. getuigschrift horende bij een prijs
    De Nobelprijs bestaat uit een diploma, een medaille en een geldsom.
  3. document dat bestaat uit een blad dat dwars op de lengterichting doormidden is gevouwen

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bewijs van slagen voor examen’ voor het eerst aangetroffen in 1656

Vertalingen

Engelsdiploma, certificate
Fransdiplôme
DuitsDiplom
Spaansdiploma, graduación, título
Italiaansdiploma
Zweedsdiplom