djeroek
mannelijk (de)/djəˈruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) boom of plant uit het geslacht zoals die in Indonesië groeien, bijvoorbeeld enEr stonden namelijk grote bomen als tandjoeng, djohar en boengoer en verder nog kleine bomen en heesters, zoals djeroek, delima, sokka, patjar koekoe, pisang en blimbing.
- (voeding) vrucht van een citrusboom of citrusplant zoals die in Indonesië groeienIk weet nog de smaak van papaja, djeroek,Maar zuurzak is wat ik al jarenlang zoek;Toch heb ik die vroeger gegeten.
Etymologie
*van "jeruk"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek