doch

/dɔx/

Betekenis

voegwoord
  1. nevenschikkend voegwoord dat een contrasterend verband uitdrukt (formeler dan maar)
    Hij was een edel mens, doch een schoft.
    De heer Olivier B. Bommel eet meestal een eenvoudige, doch voedzame maaltijd.
    Hij pakte Chantals handen en trok haar voorzichtig doch vastbesloten naar zich toe.

Etymologie

* In de betekenis van ‘nevenschikkend voegwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100