doctorandus
mannelijk (de)/ˌdɔktoˈrɑndʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die het doctoraal examen heeft gedaan
- iemand die een proefschrift schrijft ter verkrijging van de graad van doctor en dus nog geen doctor is
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘iemand die geslaagd is voor doctoraalexamen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1790
Vertalingen
Spaansbachiller, licenciado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek