dodaars
mannelijk (de)/ˈdodars/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (futen)bepaald soort watervogel, , met roodbruine nek
Etymologie
*, naar de pluk veren bij zijn achterste
Vertalingen
Spaanszampullín común
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*, naar de pluk veren bij zijn achterste