Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

doddelen

/ˈdɔdələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een dubbele, dikke of zware tong spreken of zeggen
    Als Jef te veel drinkt, begint hij te doddelen.
    En waar ik vroeger na twee glazen schuim wijn al begon te doddelen en te dodderen, werd ik nu agressief en martiaal... behalve wanneer Wijnvlekje in de buurt was.
  2. ov (ov) moeizaam spreken door het onwillekeurig snel herhalen van beginklanken
    "D-d-dat be-d-d-doel ik", doddelde hij.
    Er zijn 3 doddelaars, ze gaan naar een snackbar en spreken af dat diegene die zijn bestelling niet kan zeggen zonder te doddelen alles moet betalen.
  3. inerg, toneel (inerg) (toneel) zich verspreken
    Hij bleef doddelen in die lange monoloog.
    Uiteindelijk vergeet niemand echt zijn tekst, hoor. Ze waren allemaal heel goed voorbereid. Of nee, weet je wie het meest vergeet? De regisseur. Ik stond daar af en toe wel eens te doddelen.

Etymologie

*(klanknabootsing)