dofgroen
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- niet glanzend groenVerf de miltaire voertuigen maar met de kleur dofgroen.
Etymologie
{{citeer|boek|jaar=2012|auteur=Robert Harris|titel=Vaderland|isbn=9789023472483|uitgever=Cargo|taal=nl| citaat= Het gebouw was even sneeuwwit als een bruidstaart, met een koepel van dofgroen, geklopt koper.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek