dog

mannelijk (de)/dɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote kortharige hond met brede kop
    De Duitse dog, die ook Deense dog wordt genoemd, is een van de grootste hondenrassen.

Etymologie

* van "dog", in de betekenis van ‘hondensoort’ aangetroffen vanaf 1546

Vertalingen

Engelsmastiff
Fransdogue
DuitsDogge
Spaansdogo, alano
Italiaansalano