dolfijn
mannelijk (de)/dɔlˈfɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (walvisachtigen) middelgrote, in school levende tandwalvis uit de familie , slank met zeer gladde huid, een spitse snuit, een hoge sikkelvormige rugvin en een horizontale staartvinIn de zee zwom een dolfijn.
Etymologie
*[A] eerste attestatie in 1287; Middelnederlands "delfijn", leenwoord uit Latijn delphīnus, overgenomen uit Laatgrieks delphîn (δελφῖν), uitbreiding van delfís ("δελφίς").
Vertalingen
Engelsdolphin
Fransdauphin
DuitsDelfin, Delphin
Spaansdelfín
Italiaansdelfino
Portugeesdelfim
Russischдельфин
Turksyunus, yunus balığı
Poolsdelfin
Zweedsdelfin
Deensdelfin
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek