domeingrond

mannelijk (de)/do'mɛɪnɣrɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. land waarvan de staat of de heerser eigenaar is
    Vaststaat wel dat Van Schoonbeke veengronden in de Rhenense en Gelderse venen heeft gepacht. Dat waren domeingronden van Karel V.
    Destijds steunden alle kamerfracties, op de SP na, de motie-Zalm. Donderdag leek een aantal van hen in een debat in de commissie financiën toch wat geschrokken van de consequenties van die motie, die opriep tot versnelde uitgifte van domeingronden.
    Het totale plan kost 830 miljoen euro. Het kabinet gaat domeingronden verkopen om de extra uitgaven voor gezinsvoogdij, slachtofferhulp en veiligheid te betalen. De Tweede Kamer wilde dat voor deze zaken volgend jaar 136 miljoen euro meer dan gepland werd uitgetrokken.