domheid
vrouwelijk (de)/ˈdɔmhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het dom zijnDe domheid van mannen valt soms met geen pen te beschrijven.Maar dat kapitaal hadden ze daarna allemaal vastgezet op spaarrekeningen tegen 4-5 procent rente. Op een moment dat de inflatie rond de tien procent lag. Het was niet simpelweg domheid, eerder een soort conservatief snobisme.
- het dom doen terwijl men beter zou moeten wetenDoor haar domheid is de wasmachine stuk.
Etymologie
*afleiding van dom en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek