domheid

vrouwelijk (de)/ˈdɔmhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het dom zijn
    De domheid van mannen valt soms met geen pen te beschrijven.
    Maar dat kapitaal hadden ze daarna allemaal vastgezet op spaarrekeningen tegen 4-5 procent rente. Op een moment dat de inflatie rond de tien procent lag. Het was niet simpelweg domheid, eerder een soort conservatief snobisme.
  2. het dom doen terwijl men beter zou moeten weten
    Door haar domheid is de wasmachine stuk.

Etymologie

*afleiding van dom en