dominee
mannelijk (de)/ˈdomiˌne/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (religie) voorganger van een protestantse eredienstDe dominee staat op de kansel.'O,' zegt ze, met de dictie van een dominee.De dominee komt zelf van buiten de gemeente: „Als predikant ben ik onder de mensen, mijn beroep is vertrouwen. (…)"
- (beroep) (religie) (Suriname) leider van een religieuze gemeenschapVolgens de Javaanse traditie werd aan de KAUM (Javaanse dominee) advies gevraagd welke dag het meest geschikt zou zijn.
- (figuurlijk) benaming voor sommige vogelsoorten die een zwart verenkleed met een witte borst hebben
- beflijster,Zoolstra ving naar eigen zeggen alle lijstersoorten: de merel (het mannetje heet ‘zwarte lijster’, het vrouwtje ‘boekweitgrauwe’), beflijster (‘dominee’), zanglijster (‘noordmannekes’), koperwiek (‘oostmannekes’) en grote lijster.
- aalscholverAalscholvers die met gespreide vleugels op paaltjes zitten werden door de Scheldevissers vaak vergeleken met predikende religieuzen. De katholieken noemden de vogel daarom ook ‘dominee’, de protestanten hielden het op ‘paster’.
- (Suriname) (verouderd) witkopwatertiranDe Soeur of Dominee zit altijd laag en vlakbij water en de beste plaats om ze te treffen is in een wat groter zoetwatermoeras.
- (figuurlijk) (dierkunde) (Suriname) benaming voor het mannetje dat de leider is van een groep brulapenHet gehuil lijkt ons misschien een ongeorganiseerde boel, maar in werkelijkheid zit er toch wel lijn in. „De domri [dominee] is de koorleider”, zei Raymond, een goudzoeker die de brulapen rondom zijn kamp observeerde.
Etymologie
**[4] omdat de leider van de groep voorgaat bij het brullen
Uitdrukkingen
- Blikken dominee — Dominee die niet goed geschoold is of onoprecht; bij uitbreiding in het algemeen iemand die de schijn ophoudt|n=1|t=z
- De koopman en de dominee — Spanningsveld tussen streven naar winst en welvaart en morele principes|n=1|t=z
- Dominee, brand je bekje niet! — Waarschuwing dat voedsel of drank nog te warm is|Het gaat hier mogelijk niet echt om „dominee” in de betekenis van predikant, maar om de Latijnse aanspreekvorm „domine”. Maar het „bekje” zou hier ook een verbastering kunnen zijn van „befje” ‘borstlapje’ {{Vloeken-r
- De pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee — Machtige mensen krijgen steeds voorrang boven de minder machtigen|n=1|t=z
- Er gaat een dominee voorbij — Gezegd als het in gezelschap plotseling stil wordt|n=1|t=z
- Er komt een dominee voorbij — Gezegd als het in gezelschap plotseling stil wordt|n=1|t=z
Vertalingen
Engelsparson, pastor
Franspasteur
DuitsPastor, Pfarrer, Priester
Spaansdómine, pastor, pastor protestante
Italiaanspastore
Poolspasterz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek