dominicanes
vrouwelijk (de)/ˌdominikaˈnɛs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (rooms-katholiek) vrouw die behoort tot de orde van kloosterzusters die in het begin van de 13e eeuw is gesticht door Dominicus GuzmánIn 1978 besloot hij het klooster Huissen te verlaten en samen met een echtpaar, twee homofiele studenten, een dominicanes en drie andere dominicanen een alternatieve dominicaanse leefgemeenschap te vormen. Met de dominicanes was hij al jaren bevriend, “nog voordat ik dominicaan werd zelfs, maar een breuk met het celibaat is het nooit geweest”.
Etymologie
*afgeleid van "dominicaan" , (eponiem) genoemd naar de sticchter, de Spaanse kanunnik
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek