domkerk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɔmkɛrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, religie (bouwkunde) (religie) een kerk waarin een bisschop zetelt
    Hij is bij de domkerk wezen kijken.

Etymologie

*Samenstelling van dom (vergelijk Fr. dôme) en kerk