doorlopen

meervoud/ˈdorlopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) lopen tot men ergens doorheen is
    Ik liep door de tunnel tot ik aan het andere einde was gekomen.
  2. intr (intr) voortgaan met lopen, in een wat hoger tempo dan normaal
    Wij moesten hard doorlopen om de trein te kunnen halen.
    De rest van de nacht was Kleine Woord doorgelopen zonder zich ook maar een enkel ogenblik moe te voelen of zelfs te rusten. {{Aut|Herzen, Frank
    Terwijl ik dagenlang alleen doorliep richting Canada vroeg ik me steeds vaker af wat er zou gebeuren als ik morgen dood zou gaan. Wat zou ik mijn kinderen dan nalaten?
  3. intr (intr) met elkaar vermengd raken
    Na het wassen op een te warme temperatuur waren de kleuren doorgelopen.
werkwoord
  1. ov (ov) iets als een een cursus, opleiding e.d. stapsgewijs voltooien
    Hij moest een heel traject doorlopen.
    Nadat ik de opleiding had doorlopen, kon ik voor de nieuwe baan solliciteren.

Etymologie

*[B] <!--