doos

mannelijk/vrouwelijk (de)/dos/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    Wij deden de boeken in een kleine verhuisdoos.
    Ze begroef de snuisterijen in een blikken doos bij de put en ging ze af en toe bedooskijken.
    In de volgende doos zitten de vervloekte bestelformulieren.
  2. informeel, dysfemisme (informeel), (dysfemisme) een vagina
  3. informeel, pejoratief, scheldwoord (informeel), (pejoratief) (scheldwoord) een vrouw
  4. elektrotechniek (elektrotechniek) kunststof bakje waarin de verbindingen in een elektrische installatie tot stand worden gebracht
  5. informeel (informeel) toilet
    ik ben op zoek naar de doos, kunt u me even helpen?

Etymologie

*Van Middelnederlands "dose", vanaf midden 14e eeuw bekend. Waarschijnlijk van Latijn dosis, naar het spanen doosje waarin een medicijn verstrekt werd.

Uitdrukkingen

  • uit de oude doosouderwets, nostalgisch
  • een sigaar uit eigen doos geveniemand iets geven dat eigenlijk al van die persoon is
  • doos van Pandoraeen bron van veel ellende die, eens in gang gezet, niet meer stopgezet kan worden

Vertalingen

Engelsbox, box, twat
Fransboîte, caisse, trône
DuitsKarton, Kiste, Schachtel
Spaanscaja
Italiaansscatola, cesso
Portugeescaixa
Russischящик, коробка
Chinees箱子
Japans
Arabischصندوق, علبة
Poolspudło, pudełko
Zweedslåda, toa, dass