Dopper

mannelijk (de)/'dɔpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. werkloze die een werkloosheidsuitkering krijgt
    In het verhaal was de hoofdrol weggelegd voor een zekere H.B., een 64-jarige Vlaamse man met een universitair diploma die in zijn hele leven hooguit één jaar gewerkt had en die zich daarna had opgewerkt tot de zelfverklaarde ‘Kampioen der doppers’. Al die tijd had hij de RVA om de tuin geleid met valse sollicitatiebrieven, uitvluchten allerhande, maar hij had zich vooral gedeisd gehouden.de Standaard 24 MEI 2014 Jo Van Damme
  2. stakker, stumper, zielepiet, zielenpoot, schlemiel, sloeber, sukkelaar, ziel
  3. doperwt
    We eten vanavond doppertjes
  4. navulbare fles met dop
    Het project gaat langs acht peuterspeelzalen, acht basisscholen, zes buitenschoolse opvangen en vier kinderdagverblijven. Op basisschool De Kubus in Velve-Lindenhof was dinsdag het startsein. Hier kregen kinderen uit groep 7 een Dopper-fles, waar zij voortaan de hele dag water uit mogen drinken. De initiatiefnemers hopen dat de kinderen dan de flesjes cola en blikjes energiedrank laten liggen.Tubantia 22-MAART-2016

Etymologie

* van doppen