doveman
mannelijk (de)/ˈdovəˌmɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die niet kan horen‘Ook weer een slappe en magere troost, eerwaarde. Gij zijt als doveman, het haalt niets uit, dat men op uw deur klopt. Zeg de hertogin, dat het haar plicht is zich te gedragen naar het voorbeeld van de beschermers van mijnheer Villon. Zet het haar uiteen. Zij moet mij, ik bedoel de dichter en zijn werk, redden.’ Marcel Matthijs (1954)– [tijdschrift] Vlaanderen [https://www.dbnl.org/tekst/_vla016195401_01/_vla016195401_01_0080.php De diplomaat en de galg]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek