dragen

/ˈdraɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) al van de vloer houdend vervoeren
    Hij droeg de slapende baby naar zijn bedje.
  2. ov (ov) als kledingstuk of sieraad aanhebben
    Zij droeg een prachtige lichtblauwe jurk en een halsketting met diamanten.
    Ik was altijd gewend in de bergen hoge, leren bergschoenen te dragen maar ditmaal had ik gekozen voor lage trailrunner schoenen die erg licht waren en snel droogden.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "dragen" / "draghen" van Oudnederlands "dragan", in de betekenis van ‘ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Uitdrukkingen

  • het hart hoog dragen
  • het hart op de tong dragen
  • iemand op handen dragen
  • water naar de zee dragen
  • al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
  • de jongste ezel moet het pak dragen
  • het eind zal de last dragen
  • het zijn niet allen koks die lange messen dragen

Vertalingen

Engelscarry, wear
Fransporter, porter
Duitstragen, tragen
Spaansllevar (puesto)
Russischносить, нести, носить
Zweedsbära, bära, ha på sig
Deensbære, have på