drank

mannelijk (de)/drɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) te drinken vloeistof om de dorst te lessen
    Veel klanten reageren enthousiast en vinden het een ‘superidee’. Een enkeling stelt nuchter dat veel drankjes ook zonder rietje te drinken zijn. Waarom geen metalen rietjes? vraagt een ander. Die zijn lastig schoon te maken en dat is niet zo hygiënisch, reageert de bakker. Tubantia Ellen den Hollander 16-07-18 [https://www.tubantia.nl/koken-en-eten/dit-enlsquo-rietjeenrsquo-kan-mcdonald-s-en-het-milieu-redden~af2acc37/ Dit ‘rietje’ kan McDonald's en het milieu redden]
    Door het drinken van een warme drank, zoals thee, een uur of twee voordat je gaat slapen, verhoog je de temperatuur van de kern van je lichaam op dat moment.[https://dekennisvannu.nl/site/artikel/Mijn-eigen-Slaaponderzoek/6244 Mijn eigen Slaaponderzoek], dekennisvannu.nl
    Gretig slurpen we de warme drank naar binnen.
  2. drinken, pregnant (drinken), (pregnant) als [1], maar dan specifiek met alcohol
    Je mag niet met drank op een auto besturen.
    Ik werd brak wakker in een zure lucht van zweetvoeten, ongewassen kleren en halflege pizzadozen. Na zoveel drank had ik rust nodig en ik besloot een zero te nemen, dat wil zeggen nul kilometers lopen en een hele dag bijkomen.
  3. drinken, medisch (drinken), (medisch) drinkbaar geneesmiddel

Etymologie

* In de betekenis van ‘sterkedrank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1580

Vertalingen

Engelsdrink, drink
Fransspiritueux, boisson
DuitsGetränk, Getränk
Spaansbebida alcohólica, alcohol, bebida
Poolsnapój, napój