drek
mannelijk (de)/drɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mest, uitwerpselen, viezigheidHij stond tot zijn knieën in de drek.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uitwerpselen, vuil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek