Drift

mannelijk/vrouwelijk (de)/drɪft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sterke en plotselinge opwelling van woede, bijv. agressiedrift
    De man kreeg van drift een hartaanval.
  2. heftige neiging tot iets, bijv. bekeringsdrift, broeddrift
  3. scheepvaart (scheepvaart) door wind of stroming veroorzaakte afwijking van de koers van een schip, afdrift, winddrift
  4. dierkunde (dierkunde) groep dieren, bijv. zwanendrift
  5. transport (transport) weg waarlangs dieren gedreven wordt, eendendrift, schapendrift
  6. verouderd, transport (verouderd), (transport) (Kaapkolonie) een doorwaadbare plaats waar het vee of de ossenwagen door de river gedreven kan worden
    ..maar de Gouverneur vond goed nog vier uuren voort te ryden tot aan de drift van de Nysna alwaar wy laat in den avond aankwamen, juist op een ogenblik dat de vloed op desselvs grootste hoogte was en dienvolgens onmogelyk om de drift te passeeren. Reize in de binnen-landen van Zuid-Africa {{Aut|W.B.E. Paravincini di Capelli

Etymologie

* van drijven

Uitdrukkingen

  • iemand raakt op driftiemand doet anders dan normaal domme dingen

Vertalingen

Engelsbevy, collection, group
Spaansrabia, grupo, rebaño