drogist

mannelijk (de)/droˈɣɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) detaillist die allerlei artikelen voor lichaamsverzorging verkoopt in zijn drogisterij
    Bij de drogist stond ik wat onschuldige zalfjes en pleisters te zoeken, toen ik rechts van mij een vrouw tegen een man hoorde zeggen: „Hé, inlegkruisjes voor mannen, ik wist niet dat die bestonden.” Frits Abrahams 5 oktober 2016 NRC

Etymologie

*afgeleid van het Middelnederlandse 'droghe'