droom

mannelijk (de)/drom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    Zou hij in staat zijn zichzelf voor te stellen? En wilde hij misschien net hetzelfde vragen als Lysbeth Timmers? Als in een droom loopt Otto naar het kindje toe, en hij strekt verwachtingsvol zijn handen uit.
    Hij had een enge droom over draken en reuzen.
  2. beelden die niet op waarheid berusten
    Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.
  3. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    Het hebben van een Porsche was altijd haar grote droom geweest.
    Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.
    Allemaal dromers die hun dromen waarmaakten.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands """, in de betekenis van ‘voorstelling in de slaap’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw

Uitdrukkingen

  • Iemand uit de droom helpenIemand een mooie illusie ontnemen
  • Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwarenIn de praktijk zijn er belemmeringen (bijvoorbeeld wetten) om bepaalde plannen echt te kunnen realiseren
  • Zijn droom waarmaken

Vertalingen

Engelsdream, dream
Fransrêve, rêve
DuitsTraum, Traum
Spaanssueño, sueño
Italiaanssogno, sogno
Portugeessonho
Russischсон, мечта
Japans夢, ゆめ, yume
Poolssen, marzenie
Zweedsdröm, dröm