drop
/drɔp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (snoepgoed) zwart gekleurd snoepgoed gemaakt van o.a. zoethoutextract, bindmiddel, suiker. (jap: Vlaams).Ik heb een grote zak drop gekocht.
- (badminton) slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeldVandaag gaan we trainen op de drop, een speler speelt enkel drops, de andere speler gaat lobben.
- druppel
Etymologie
* In de betekenis van ‘druppel’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- [3] van de regen in de drop komen — van iets vervelends in iets nog ergers komen
Vertalingen
Engelsliquorice, drop shot
Fransréglisse, amorti
DuitsLakritze, Lakritz, Drop
Spaansregaliz
Zweedslakrits
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek