drop

/drɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. snoepgoed (snoepgoed) zwart gekleurd snoepgoed gemaakt van o.a. zoethoutextract, bindmiddel, suiker. (jap: Vlaams).
    Ik heb een grote zak drop gekocht.
  2. badminton (badminton) slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
    Vandaag gaan we trainen op de drop, een speler speelt enkel drops, de andere speler gaat lobben.
  3. druppel

Etymologie

* In de betekenis van ‘druppel’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • [3] van de regen in de drop komenvan iets vervelends in iets nog ergers komen

Vertalingen

Engelsliquorice, drop shot
Fransréglisse, amorti
DuitsLakritze, Lakritz, Drop
Spaansregaliz
Zweedslakrits