druïde

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. priester bij de oude Kelten in Gallië en Brittannië, die zich naast religieuze zaken ook met magie bezighield

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘Keltische priester’ voor het eerst aangetroffen in 1704

Vertalingen

Engelsdruid
Spaansdruida