druiper

mannelijk (de)/ˈdrœypər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
  2. bouwkunde (bouwkunde) gevelversiering, tevens bedoeld om regenwater snel af te voeren
  3. bouwkunde (bouwkunde) puntig uitlopende knop ter versiering op bijv. het kruispunt van twee gewelfribben
  4. plantkunde (plantkunde) bepaald soort pruim

Etymologie

* van druipen

Vertalingen

Engelsgonorrhea, gonorrhoea
Fransblennorragie, gonorrhée
DuitsGonorrhö, Tripper
Spaansgonorrea