druppel

mannelijk (de)/ˈdrʏpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kleine hoeveelheid vloeistof die niet in contact is met een andere vloeistof
    Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: 'Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond.'

Etymologie

*van Middelnederlands """ / "dropel", in de betekenis van ‘vochtdeeltje’ voor het eerst aangetroffen in 1240; op te vatten als afgeleid van drup met verdubbeling van de p volgens

Uitdrukkingen

  • De druppel [die de emmer doet overlopen] / De spreekwoordelijke druppelIets kleins, wat ervoor zorgt dat datgene waar het aan bijdraagt net te veel wordt en uit de hand loopt
  • Als twee druppels [water] op elkaar lijkenHeel veel op elkaar lijken
  • Een druppel op de/een gloeiende plaatEen heel kleine bijdrage aan iets veel groters of waarvoor veel meer nodig is, met de bijgedachte dat het zo weinig voorstelt het feitelijk onnodig is

Vertalingen

Engelsdrop
Fransgoutte
DuitsTropfen
Spaansgota
Italiaansgoccia
Russischкапля
Turksdamla
Poolskropla
Zweedsdroppe
Deensdråbe