dubbel
/ˈdʏbəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) persoon die in bepaalde scènes een acteur vervangt
- (n) dubbelspel bij de tennissport
- (m)/(n) soort bier
Etymologie
#tweemaal zoveel
Uitdrukkingen
- Dubbel en dwars — Helemaal, volkomen (vgl. dubbel en dik)
- Dubbel liggen — Hevig lachen.http://books.google.de/books?id=mmhHk5jJDwUC&lpg=PA54&ots=v2b7IQzUMl&dq=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&pg=PA54#v=onepage&q=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&f=false
- Met dubbel krijt schrijven — Te veel in rekening brengen
- Met een dubbele tong spreken — Onduidelijk praten; iets (bewust) op zo'n manier vertellen dat het op meerdere manieren valt uit te leggen
Vertalingen
Engelsdouble
Fransdouble
Duitsdoppelt
Spaansdoble
Poolspodwójny
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek