duim

mannelijk (de)/dœym/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) eerste, kortste en dikste vinger, gelegen naast de wijsvinger, met twee geledingen, die zowel naast als tegenover de andere vingers geplaatst kan worden
    Maar omdat ik voelde dat ze naar me keek, stak ik mijn duim in de korst.
    Iets later zag ik gelukkig twee duimen de lucht in gaan om aan te geven dat alles goed was.
  2. eenheid, verouderd (eenheid), (verouderd) oude lengtemaat. De exacte lengte is streek-afhankelijk; bijvoorbeeld, de Engelse duim is 2.54 cm (inch), de Amsterdamse duim is 2.573 cm
  3. haakspijker.
  4. scharnierhaak

Etymologie

* In de betekenis van ‘voorste vinger’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • iemand onder de duim houdenover iemand de baas zijn
  • iets op zijn duimpje weteniets heel goed weten
  • iets uit zijn duim zuigeniets verzinnen
  • de duimschroeven aanleggeniemand met heel erg onder druk zetten
  • dat ligt er duimsendik bovenopdat is heel duidelijk
  • vingers en duimen aflikkeniets heel lekker vinden
  • duim opstekengebaar van iemand langs de kant van de weg als teken dat hij met iemand wil meereizen

Vertalingen

Engelsthumb, inch
Franspouce, pouce
DuitsDaumen, Zoll
Spaanspulgar, pulgada
Italiaanspollice, pollice
Portugeesdedo polegar, polegar
Russischдюйм
Chinees英寸
Japans親指 (おやゆび, oyayubi), インチ
Koreaans엄지, 엄지손가락
Turksbaşparmak
Poolskciuk, cal
Deenstommelfinger, tommeltot