dumpen

/ˈdʏmpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (in grote hoeveelheden) onder de gangbare prijs verkopen.
    De Verenigde Staten en de Europese Unie dumpen hun overschotten op de wereldmarkt.
  2. ov (ov) storten, lozen, wegwerpen
    Afval dumpen in de oceaan is strafbaar.
  3. ov (ov) (m.b.t. een persoon) zich ontdoen van.
    Kleine gemeenten dumpen asielzoekers in grote steden.
  4. ov (ov) (m.b.t. een geliefde) afdanken, de bons geven, het uitmaken met.
    Je vriendje dumpen per sms wordt als zeer brutaal ervaren.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘onder de markt verkopen, storten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1972

Vertalingen

Franspratiquer, dumping, déverser
Duitszu Dumpingpreisen verkaufen, abladen, abschieben
Spaanshacer, dúmping, inundar