dut
mannelijk (de)/dʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een korte en lichte slaap, veelal midden op de dag i.p.v. zoals gebruikelijk 's nachts's Middags zou je wel eens een dutje willen doen.
Etymologie
*(nomact) van het werkwoord "dutten".
Vertalingen
Engelsnap, snooze
Fransroupillon
DuitsSchläfchen, Siesta, Nickerchen
Spaanssiesta, siestón, coyotito
Italiaansdormitina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek