duwen

/dy.ʋǝⁿ/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door druk uit te oefenen doen voortbewegen
    Zij duwen de auto aan de kant.
    Plotseling lag ik plat op mijn rug doordat mijn buren me met een zwiep van de hooibaal hadden geduwd.
    Ik moest mijn fiets over de dikke planken duwen die als loopbrug over de sleuf voor ons tuinhek waren gelegd, me niet bewust van wat zich daaronder bevond.
  2. ditr (ditr) iemand iets opleggen of opdringen
    Hij kreeg een prop in zijn mond geduwd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘door drukking voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelspush, thrust
Franspousser
Duitsstoßen
Spaansempujar
Italiaansspingere
Portugeesempurrar
Russischтолкать(ся)
Chinees
Japans押す
Koreaans밀다
Arabischيَدْفَع
Turksitmek
Poolspchać
Zweedsknuffa
Deensskubbe