eenheid

vrouwelijk (de)/ˈenhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen
    Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed met gemeenschappelijk doel.
    De mobiele eenheid (ME) is een groep politieagenten die als geheel op verschillende plekken kan worden ingezet bij de bestrijding van rellen.
  2. maatschappij, sociologie (maatschappij), (sociologie) het gevoel dat men met velen op één lijn zit
    Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.
    Trump, schrijft Friedman, „ondermijnt onze heilige rechtsstaat, gooit onze bondgenoten weg, ondermijnt de waarde van de dollar en vernietigt alle hoop op nationale eenheid.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/13/economieblog-maandag-14-april-2025-a4889795 www.nrc.nl (14 apr 2025)]
  3. wetenschap (wetenschap) maat, standaard [1] waarin een grootheid [1] wordt uitgedrukt
    De coulomb is de eenheid van lading.
  4. woonruimte
    De lounge is een vrijstaande eenheid.

Etymologie

*van Middelnederlands "eenheit", op te vatten als afgeleid van "een" als leenvertaling van Latijn "unitas"; in de betekenis van ‘hecht samenhangend geheel’ aangetroffen vanaf 1461

Vertalingen

Engelsunity, unit
Fransunité
Spaansunidad