eenheid
vrouwelijk (de)/ˈenhɛit/
Wat is de betekenis van eenheid?
eenheid betekent: een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen
- (maatschappij), (sociologie) het gevoel dat men met velen op één lijn zit
- (wetenschap) maat, standaard [1] waarin een grootheid [1] wordt uitgedrukt
- woonruimte
Voorbeelden van "eenheid" in een zin
- Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed met gemeenschappelijk doel.
- De mobiele eenheid (ME) is een groep politieagenten die als geheel op verschillende plekken kan worden ingezet bij de bestrijding van rellen.
- Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.
- Trump, schrijft Friedman, „ondermijnt onze heilige rechtsstaat, gooit onze bondgenoten weg, ondermijnt de waarde van de dollar en vernietigt alle hoop op nationale eenheid.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/13/economieblog-maandag-14-april-2025-a4889795 www.nrc.nl (14 apr 2025)]
- De coulomb is de eenheid van lading.
Etymologie
*van Middelnederlands "eenheit", op te vatten als afgeleid van "een" als leenvertaling van Latijn "unitas"; in de betekenis van ‘hecht samenhangend geheel’ aangetroffen vanaf 1461
Vertalingen
Engelsunity, unit
Fransunité
Spaansunidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek