eenvoud

mannelijk (de)/ˈeɱvɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afwezigheid van pracht en praal
    mooi in al zijn eenvoud
  2. dat iets niet ingewikkeld of complex is
    Eenvoud is een kenmerk van het ware.
    Het was prachtig en overweldigend geweest in de bergen maar ik verlangde naar de eenvoud en openheid van de woestijnheuvels van Noord-Californië die nu voor me lagen. Ik was lang genoeg uit mijn comfortzone geweest en verlangde naar de comfortzone die voor me lag.

Etymologie

*afgeleid van een

Vertalingen

Engelssimplicity
Franssimplicité
DuitsEinfachheit
Spaanssencillez, simplicidad