eer

mannelijk/vrouwelijk (de)/er/

Betekenis

voegwoord
  1. formeel (formeel) voordat
    Het duurde lang eer ik zijn grappen waarderen kon.
zelfstandig naamwoord
  1. aanzien, roem
    Hij kreeg veel eer voor zijn werk.
    Wat begon als incident werd door een samenspel van een aristocratisch verlangen naar eer en sensatiezucht van het grote publiek (en van de aristocraten zelf) geïnstitutionaliseerd.
    'Ik weet niet ' 'Ik zou het een eer vinden om het te lezen.
  2. kuisheid
    Wij deden dat in alle eer en deugd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘achting, deugd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Dat is mijn eer te naDat is beneden mijn waardigheid
  • De eer aan zichzelf houdenVrijwillig afstand van iets doen, vrijwillig een bep. positie, functie e.d. opgeven omdat men anders van buitenaf hiertoe gedwongen zou worden
  • Ergens eer in stellenIets doen of laten omdat dat eer/roem (of juist niet) zou opleveren
  • Er is/valt geen eer aan te behalenHet kan niet op een fatsoenlijke manier worden afgerond
  • Iemands eer te na komenIemand beledigen, kwetsen, minderwaardig bejegenen
  • Naar eer en gewetenIn de volle overtuiging dat iets echt waar is een bep. handeling doen of een verklaring afleggen
  • Iemand tot eer strekkenIemand goed staan, sieren
  • Zijn eer verpandenOp zijn erewoord beloven iets gedaan te krijgen of zich ergens aan te zullen houden

Vertalingen

Engelshonour, honor
Franshonneur
DuitsEhre
Spaanshonor
Italiaansonore
Portugeeshonra
Japans名誉, めいよ, meiyo
Turksnamus
Poolshonor
Zweedsära, honnör
Deensære