eer
mannelijk/vrouwelijk (de)/er/
Betekenis
voegwoord
- (formeel) voordatHet duurde lang eer ik zijn grappen waarderen kon.
zelfstandig naamwoord
- aanzien, roemHij kreeg veel eer voor zijn werk.Wat begon als incident werd door een samenspel van een aristocratisch verlangen naar eer en sensatiezucht van het grote publiek (en van de aristocraten zelf) geïnstitutionaliseerd.'Ik weet niet ' 'Ik zou het een eer vinden om het te lezen.
- kuisheidWij deden dat in alle eer en deugd.
Etymologie
* In de betekenis van ‘achting, deugd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- Dat is mijn eer te na — Dat is beneden mijn waardigheid
- De eer aan zichzelf houden — Vrijwillig afstand van iets doen, vrijwillig een bep. positie, functie e.d. opgeven omdat men anders van buitenaf hiertoe gedwongen zou worden
- Ergens eer in stellen — Iets doen of laten omdat dat eer/roem (of juist niet) zou opleveren
- Er is/valt geen eer aan te behalen — Het kan niet op een fatsoenlijke manier worden afgerond
- Iemands eer te na komen — Iemand beledigen, kwetsen, minderwaardig bejegenen
- Naar eer en geweten — In de volle overtuiging dat iets echt waar is een bep. handeling doen of een verklaring afleggen
- Iemand tot eer strekken — Iemand goed staan, sieren
- Zijn eer verpanden — Op zijn erewoord beloven iets gedaan te krijgen of zich ergens aan te zullen houden
Vertalingen
Engelshonour, honor
Franshonneur
DuitsEhre
Spaanshonor
Italiaansonore
Portugeeshonra
Japans名誉, めいよ, meiyo
Turksnamus
Poolshonor
Zweedsära, honnör
Deensære
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek