ellende

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɛˈlɛndə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beklagenswaardige (armoedige enz.) omstandigheden die zorgen voor lijden en verdriet
    Hij wil politieke munt slaan uit andermans ellende.
    De aardbeving veroorzaakte veel ellende.
    De correspondentie tussen diverse vrijwilligers die ik in het archief van het Watersnoodmuseum aantrof getuigde van een praktische instelling - geconfronteerd met zoveel ellende kon je blijkbaar niet anders.
  2. (bij uitbreiding) rampspoed, tegenslagen in het algemeen
    Door alle ellende die we meemaakten is ons huwelijk gestrand.
    Het licht is altijd sterker dan het donker, alleen vergeten we dat soms en daarom is er zoveel ellende in de wereld.
    Misschien zou het zelfs standaard aan de huwelijksovereenkomst moeten worden toegevoegd: een tot twee weken per jaar alleen op pad. Het zou volgens mij een hoop stress en ellende kunnen voorkomen.

Etymologie

*Van Oudnederlands "elelendis", "verbanning". (Het tweede deel is etymologisch verwant met land.) In de betekenis van ‘beroerdigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285.

Vertalingen

Engelsgloom, misery
Fransmisère
DuitsElend
Spaansmiseria