emeritus
mannelijk (de)/eˈmeriˌtʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- van een hoogleraar of geestelijke dat deze, na goede vervulling van zijn ambt, zijn functie heeft neergelegd (zijn emeritaat heeft)De Oud-Katholieke Kerk van Nederland heeft de emeritus pastoor die in 1973 een 15-jarige jongen seksueel misbruikte alsnog op non-actief gesteld en 'hem de mogelijkheid tot het voorgaan in kerkdiensten ontzegd'.Volkskrant 27 april 2017
- rustend
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zijn ambt neergelegd hebbend’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Vertalingen
Engelsretired person
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek