empiricus
mannelijk (de)/ɛmˈpiriˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wetenschapper die zijn kennis baseert op waarnemingenProfessor Prlwytzkofski, de man met de onmogelijke naam, is het type van de empiricus. ,,De wetenschap wordt in deze figuur aardig voor aap gezet’’, aldus Toonder-deskundige Pim Oosterheert, ,,want de professor meet en onderzoekt, maar is – zo hij al met een wetenschappelijke oplossing komt – altijd te laat om iets op te lossen, omdat Tom Poes met zijn listen hem al is voorgegaan.’’ NRC Ewoud Sanders 14 augustus 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/08/14/stripprofessors-11176650-a391232 Stripprofessors]Maar het is onzin hier iets volkomen nieuws of postmoderns van te maken; het toont eerder aan dat de empiricus Humboldt, via Goethe, ook het nodige van de Romantiek had meegekregen. NRC Arnold Heumakers 21 augustus 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/08/21/even-in-de-vulkaan-kijken-11771459-a497271 Even in de vulkaan kijken]
Etymologie
* afleiding van empirie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek