enen
/ˈenə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- meervoud van het zelfstandiɡ ɡebruikt een als tegenhanger van ander:Architectonisch vormt het een geometrisch geheel, van hoge spelonken, de enen smal, de anderen breed maar steeds rechthoekig.
telwoord
- oude verbogen vorm van één, voornamelijk gebruikt bij tijdsaanduidingen na voorzetselsHet is net even na enen.
lidwoord
- (verouderd) van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woordAch! wat ijselijke slagen, wat enen oceaan beroerd door lijkgezucht en jammervlagen u uwe Walvisch heeft ontvoerd.
- (verouderd) van het lidwoord een bij een mannelijk woordHang enen mantel om van wolken (...)
Uitdrukkingen
- in enen
- ten enenmale
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek