enen

/ˈenə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meervoud van het zelfstandiɡ ɡebruikt een als tegenhanger van ander:
    Architectonisch vormt het een geometrisch geheel, van hoge spelonken, de enen smal, de anderen breed maar steeds rechthoekig.
telwoord
  1. oude verbogen vorm van één, voornamelijk gebruikt bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
    Het is net even na enen.
lidwoord
  1. verouderd (verouderd) van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woord
    Ach! wat ijselijke slagen, wat enen oceaan beroerd door lijkgezucht en jammervlagen u uwe Walvisch heeft ontvoerd.
  2. verouderd (verouderd) van het lidwoord een bij een mannelijk woord
    Hang enen mantel om van wolken (...)

Uitdrukkingen

  • in enen
  • ten enenmale